Met een grijns loopt mijn man de kamerin. Ik kijk hem vragend aan.

‘Wacht even,’ zegt hij en hij loopt de tuin in. Als hij terugkomt, houdt hij een kaartje omhoog.

‘Is dat…,’ begin ik.

‘Yep. Stijns identiteitskaart. Ik vond hem achter de kast in Bens kamer.’

We zijn de kaart al maanden kwijt. Stijn heeft zelfs al een nieuwe. ‘Hoe kom je erbij om dáár te zoeken?’ vraag ik.

‘Ik was op zoek naar een pad.’

Wát zeg je? Een pad?

Arjen lacht: ‘Ben vond hem vanmiddag in de tuin. Hij zat tussen de hosta´s. Ik vroeg nog aan mijn vader: weet je zeker dat hij de pad weer heeft vrijgelaten? Ja, hoor, dat wist hij zeker. Had Ben hem zelf verteld.’

‘Ja, Ben vertelt wel meer.’

‘Inderdaad. Maar net biechtte hij op…’ begint Arjen, en hij zegt met een hoog stemmetje: “Er zit een pad op mijn kamer en ik ben hem kwijtgeraakt”. Ik geloofde hem niet, dus ik zei dat padden heel graag in bed slapen als ze het koud krijgen. Bleek dat het waar was, want hij raakte in paniek. Hij had hem in zijn broekzak mee naar boven gesmokkeld. Toen hij na het eten weer terugging, was hij weg.’

[gniffel]

‘Ik zoeken natuurlijk, want Ben durfde niet meer te slapen. Maar ik kon het beest nergens vinden. Ook niet achter de kast. Daar lag dus wel Stijns identiteitskaart.’

‘Ongelooflijk, wat een boef! Moeten we die kaart weer afmelden. Maar je liep net naar de tuin, toch?’

“Ja, even de pad vrijlaten. ‘

Een pad

‘Je hebt hem dus toch gevonden. Waar zat hij?’

‘Op de trap. Hij was onderweg naar beneden.’

‘Gottegot. Toch maar even met je vader praten, Ar. Hij trapt er elke keer in.’

‘Doe ik. Wijntje?

‘Lekker.’